Onze flora

Wilde orchideeën

Orchideeën voelen zich helemaal thuis op de kalk van Zuid-Limburg. Het zijn echte zonaanbidders. Op de krijthellingen en kalkgraslanden laten ze zich op hun mooist zien.

 

Bij orchideeën zijn de meeldraden en stempels vergroeid tot een zuiltje. Zodra een bij of hommel

op zoek gaat naar nectar in de bloem, stoot hij tegen een steeltje waarop stuifmeelpakketjes zitten. Deze hechten zich aan de bezoeker, die zodra hij een andere plant bezoekt voor de bevruchting zorgen.

De bloem bootst bijvoorbeeld de vorm van zijn bezoeker na, zoals de bijenorchis, wiens bloem op

het achterlijf van een vrouwtjeshommel lijkt.

Varens

Varens vormen het ondergroen van de bossen.
Zuid-Limburgse hellingbossen zijn rijk aan varensoorten. Op plekken waar het een beetje vochtig is en waar schaduw valt, is de kans groot dat er varens staan.

 

Varens zijn er in alle soorten en maten. Van de kleine, tere beukvarentjes tot de grote, stevige adelaars-varens, die flink kunnen woekeren.

 

Varens houden ook van reliëf, maar leven ook onder Spartaanse omstandigheden zoals op muren of geheel in het water. Muurvaren en steenbreekvaren zijn soorten die graag op muren of aan binnenkanten van oude waterputten groeien.

 

Halverwege het jaar verschijnen de eerste sporen van varens aan de onderkant van de bladen. Die hebben ze nodig om zich te kunnen voortplanten.

Steeliep

De steeliep of fladderiep is een boom die wel 30 meter hoog kan worden. De kruin heeft een mooie, volle vorm. De bladeren zijn rondachtig tot omgekeerd eirond, geribbeld met een dubbel-gezaagde rand en een scheve voet. De onderkant van de bladeren zijn behaard. De stam varieert van dofgrijs tot lichtbruin.

 

Steeliepen bloeien al vroeg in het voorjaar, voordat er bladeren aan de takken komen. De bloemen zitten op stelen en wapperen in de wind.

 

Iepen houden van vochtige, voedselrijke grond en kunnen bijvoorbeeld gevonden worden in beekdalen, loofbossen, holle wegen en graften. Ze kunnen goed tegen zon en verdragen lichte schaduw. Steeliepen worden vaak aangeplant; als inheemse soort zijn ze erg zeldzaam.

Zinkviooltje

Het zinkviooltje is een juweel onder planten en is te vinden in weilanden langs beken. Het heeft een karakteristiek gele kleur, met in het midden fijne strepen die naar alle kanten uitstralen. Zinkviooltjes hebben, net als zinkboerenkers en Engels gras, zink in de bodem nodig, maar zorgen via een ingenieus systeem ervoor dat hun wortelstok niet te veel ervan opneemt. Ze zijn zo toleranter voor zink dan andere soorten en worden daarom op plekken met zink minder snel verdrongen.

 

De zinkmijnen van de 19e eeuw hebben ervoor gezorgd dat er langs de oevers zink werd verspreid. Tegenwoordig is er veel zink verdwenen door het schoner worden van het water, waardoor het zinkviooltje tegenwoordig nog maar op één locatie groeit.

 

Het zinkviooltje bloeit van mei tot en met juli,

en soms al in april.

Kleine pimpernel

(ook bekend als sorbenkruid of bloedkruid)

Als je op een paadje door een kalkgrasland loopt, kun je vanaf mei een kleine, ranke plant in bloei zien. Ze staat er dan samen met soorten als bijvoorbeeld kleine bevernel, trilgras en knoopkruid.

 

De kleine pimpernel is een 20 tot 60 cm hoge plant met rozerode samengestelde, bolvormige bloemhoofdjes. De bladeren zijn ellipsvormig getand en staan met zes tot tien exemplaren aan een bladsteel. Het kruid wordt ook wel sorbenkruid of bloedkruid genoemd.

 

De vlindersoort ‘kalkgraslanddikkopje’ vindt onder andere bij de kleine pimpernel zijn benodigde groeistoffen. Je vindt deze soort ook in bermen op dijkhellingen. De plant heeft een geneeskrachtige werking. Hij wordt gebruikt om bloed te stelpen. In de Middeleeuwen dronken de soldaten een aftreksel van deze plant, in de hoop dat de wonden minder zouden bloeden.

Gele kornoelje

De gele kornoelje is een struik die het nog kale landschap in februari opfleurt met zijn helder gele bloemen. Bij een zachte winter kan de bloem in de winter al ontspruiten. Zelfs als het sneeuwt of vriest, blijven ze in bloei. Zodra de bloemen opengaan, vormen ze kleine schermen. Na de bloei vallen de bloemen af en ontwikkelen zich ellipsvormige groene steenvruchtjes die in de herfst rijpen. Ondanks de zure smaak zijn vogels er dol op.

 

Gele kornoelje is een taaie jongen en kan een zeer respectabele leeftijd van 100 jaar halen. Ze worden gemiddeld 8 meter hoog. Gele kornoeljes groeien in Zuid-Limburg in de bosrand en op kalkhellingen. Je hebt de kans ze te zien in de buurt van Gulpen en in het Savelsbos bij Sint Geertruid.