Onze fauna

Grauwe klauwier

De grauwe klauwier voelt zich thuis in kleinschalige landschappen, met veel hagen, struiken en graslanden. Het is van belang dat in de omgeving genoeg prikkeldraad of heggen met doorns te vinden zijn, omdat hij deze gebruikt om kevers op te prikken. Ook hagedissen en zelfs kleine vogels staan op het menu van deze roofvogel. Die spoort hij op vanuit een hoge uitkijkpost of biddend in de lucht.

 

De grauwe klauwier is een opvallende verschijning met zijn haaksnavel en ‘Zorromasker,’ een band die van de snavel over het oog doorloopt tot de nek. Verder heeft hij een grijze kop, die overgaat in een bruine rug en een witrozige borst. De poten hebben een donkere kleur.

 

Met maar 200 broedparen is de grauwe klauwier een zeldzame zomergast in Nederland.

 

 

Grote gele kwikstaart

De grote gele kwikstaart is een vogel die leeft en broedt langs de oevers van snelstromende wateren. Zag je hem tot de jaren ’90 alleen in het uiterste oosten en zuiden van Nederland, nu komt hij verspreid in heel Nederland voor.

 

Deze zangvogel dankt zijn naam aan de felgele borst en stuit, dat naast zijn lange, wippende staart kenmerkend is. De grootste kans om deze soort te zien, is bij plekken waar stuwtjes, sluizen en watermolens langs beken of kleinere rivieren liggen.

 

De grote gele kwikstaart is een echte insectenjager. Met zijn spitse snavel verschalkt hij spinnen, sprinkhanen, libellen en andere insecten.

IJsvogel

Wie wel eens een blauwe, fluorescerende flits over het water heeft zien gaan, zag een ijsvogel in actie.

De ijsvogel is een kleine vogel met blauwe en oranje veren en een lange, spitse snavel. Hij houdt van stromende beken met helder, zuurstofrijk water.

IJsvogels jagen vanaf takken boven het water op vissen. Als een speer duiken ze op hun prooi af, die ze pas doden en opeten als ze terug op hun ‘vaste’ uitkijkpost zijn.

 

In maart wisselen het mannetje en vrouwtje elkaar af bij het graven van een 50 cm tot zelfs een meter diep gat. Achter in deze ‘pijp’ maakt het vrouwtje een nest op de kale bodem. De broedtijd duurt 18 tot 21 dagen. Door verbetering van de waterkwaliteit broeden er tegenwoordig weer meer ijsvogels in Nederland.

Oehoe

De oehoe is één van de grootste uilen ter wereld.

Hij heeft een spanwijdte van 165 tot 190 cm en een hoogte van 64 cm. Deze uilensoort kan maar liefst 70 jaar worden. Net als de ransuil heeft de oehoe pluimoren die naar opzij staan, maar ze staan niet recht omhoog.

 

Oehoes zijn niet kieskeurig als het om prooidieren gaat. Ze eten letterlijk alles wat in hun omgeving voorkomt. Hij houdt zich het liefst op in verlaten, open steengroeven of stille plekjes in een actieve groeve. Het nest bouwen ze in een holte, zodat de jongen bij regen niet nat worden en gevaar lopen al voortijdig te sterven. Het mannetje zorgt voor de voedselaanvoer, terwijl het vrouwtje het nest maakt en afwerkt met dons. De grijswitte jongen komen na ongeveer 34 dagen uit het ei. In de ENCI-groeve bij Maastricht broeden ze al een aantal jaar. Ook in andere open groeven kunnen ze voorkomen.

Geelgors

Deze kleine, geelbruine zanger is altijd een lust voor het oor en het oog, als hij ergens boven in een struik zijn liedje vertolkt. Deze soort houdt zich op in kleinschalig cultuurlandschap in het oosten van ons land, met veel heggen, houtwallen en grazige bermen.

In tegenstelling tot veel andere broedvogels maakt de geelgors zijn nest op de grond. Om zich te beschermen tegen vijanden zoekt hij strategische plaatsen uit, zoals de grens tussen een bosrand en open gebied of onder een dichte haag of struik. Het nest is komvormig en samengesteld uit voornamelijk gras en ander plantenmateriaal. Het vrouwtje legt vanaf april tot augustus tussen de 4 en 10 eieren in 2 tot 3 legsels. Na 12 tot 14 dagen kruipen de jongen uit het ei. De geelgors voedt zich met zaden, waar de kegelvormige snavel ook op wijst.

Vliegend hert

Het vliegend hert is de grootste kever in ons land.

Hij dankt zijn naam aan de geweiachtige kaken van de mannetjes. Mannetjes hebben een donker, roodachtig achterlijf en glanzende rode kaken.

De vrouwtjes hebben meer een zwart achterlijf.

 

Het vliegend hert voelt zich thuis in eikenbossen, zowel aan de rand als op een open plek in het bos.

Hij voedt zich met de sappen uit de eik en zoete kers.

Bij gevechten om vrouwtjes probeert het ene mannetje met zijn grote kaken het andere mannetje van een tak te werpen. Degene die wint, mag paren. Dat gebeurt in de bomen. De eitjes worden door het vrouwtje afgezet in rottend hout op de bosbodem.

Uit de eitjes komen witte larven met een rode kop. Die larven leven wel enkele jaren in het hout.

 

Vijanden van het vliegend hert zijn onder meer sluipwespen, spechten, gaaien, maar ook wilde zwijnen. Het vliegend hert wordt bedreigd en is bij wet beschermd.

Pyjamawants

De naam ‘pyjamawants’ is afgeleid van de dekschilden van dit insect: felrood met zwarte strepen. De poten en de antennes zijn pikzwart. De felrode kleur is een waarschuwing aan hun vijanden om hen niet proberen op te eten. ‘Eet je mij, dan scheid ik via mijn klieren een bijtende, giftige en stinkende vloeistof af’, zegt hij daarmee. De grootte bedraagt circa 10 mm.

 

De pyjamawants is een schildwants en ze zijn merendeels te vinden op allerlei schermbloemigen zoals bereklauw, pastinaak, fluitenkruid, zevenblad en wilde peen.

 

In het voorjaar zetten de pyjamawantsen hun geelachtige ei-pakketjes af aan de onderkant van

een blad. Na een week komen de eitjes al uit.

 

Wijngaardslak

Deze slak is de grootste van Nederland. Hij wordt ook gekweekt voor consumptie. Je vindt ze dan ook als delicatesse in restaurants.

 

Wijngaardslakken leven op een kalkbodem. Dat hebben ze nodig voor de groei van hun huisje. Ze leven aan de rand van loofbos, maar voelen zich ook thuis in cultuurlandschappen zoals parken, tuinen, wegbermen, graslanden en plantenkwekerijen of wijngaarden. Het zijn planteneters en ze zijn gek op bladeren, groente, fruit en ook bloemen. ‘s Nachts verzamelen ze hun voedsel, omdat het dan kouder is. Door hun slijmspoor zijn ze in staat hun eigen voedselbron terug te vinden.

Zeggekorfslak

De zeggekorfslak is donkerbruin, het gedraaide huisje is lichter van kleur. Hij leeft van een bepaalde groep schimmels (roest) en algen.

 

De zeggekorfslak is hermafrodiet en kan zich dus zelf bevruchten. De meeste dieren planten zich voort in de zomer. Kwam de slak vroeger in de hele provincie veelvuldig voor, tegenwoordig is ze alleen nog sporadisch in het Geleenbeekdal te vinden.

Wespenspin

Deze grote, opvallende spin met gele en zwarte golvende strepen, ook wel tijgerspin genoemd,

is sinds de jaren ‘90 aan een gestage opmars vanuit het zuiden begonnen. Nu is deze soort zelfs in alle provincies van ons land te vinden.

 

Wespenspinnen zijn ongevaarlijk voor de mens, want hun beet is niet bedreigend en ze zijn niet giftig.

Ze maken een stevig wielvormig web in het gras, waarbij er vanuit het centrale deel zilveren verdikte lijnen lopen. De wespenspin vangt hiermee laagvliegende en laagspringende insecten zoals sprinkhanen, kevers en libellen. Als er een te zware prooi in het net terechtkomt, bijt hij de draden door, zodat de rest van het web niet beschadigd wordt.

Het mannetje is een stuk kleiner dan het vrouwtje is en heeft een dofbruine kleur in plaats van de gele en zwarte strepen.

 

De wespenspin dankt haar naam aan de handige camouflagetruc. Als zij namelijk ondersteboven in haar web zit, lijkt de spin op een wesp. Zo heeft ze minder te duchten van vijanden.

Koninginnepage

De koninginnepage behoort tot de weinig voorkomende grote vlinders in Nederland. Hij heeft gele vleugels met zwarte dwarsstrepen. De randen van de vleugels hebben zwarte vlakken. Aan de staart zie je opvallend blauwe vlakken. Zijn spanwijdte bedraagt tot 75 millimeter.

 

Het lievelingslandschap van de koninginnepage is

een droog grasland met wilde peen op een helling. Terwijl mannetjes wachten op vrouwtjes voeren ze baltsvluchten uit. De vrouwtjes stoten geurstoffen uit, waar de mannetjes op afkomen. De vrouwtjes zetten de eitjes af op wortels in groentetuinen. Het aantal varieert van enige tientallen tot honderden. met een maximum van 500. De rups heeft 5 stadia en vervelt 4 keer. De koninginnepage vliegt van maart tot en met oktober.

Veldparelmoervlinder

De veldparelmoervlinder was na 1995 uit Nederland verdwenen. Gelukkig is hij in 2005 weer gesignaleerd in Zuid-Limburg, bij de Sint Pietersberg bij Maastricht. Het zijn fraaie vlinders met hun gelig-oranje vleugels met daarop een bruin vlekkenpatroon. Ze houden van kruidenrijke, open en korte bloemrijke graslanden, waarbij de structuur wat rommelig mag zijn.

 

Het vrouwtje zet de 50 tot 200 eitjes af op de onderkant van het blad van de smalle weegbree.

Het verpoppen gebeurt in dichte vegetatie, geheel aan het oog onttrokken. Er is maar één generatie en die vliegt van mei tot halverwege juni. Deze soort is een echte zonaanbidder, als het bewolkt is blijft hij in de vegetatie. Hij verzamelt zijn nectar vooral uit de bloemen van margriet en centaurie.

 

In Nederland en België is de veldparelmoervlinder zeer zeldzaam. In de andere Europese landen komt hij veelvuldig voor.

Geelbuikvuurpad

De geelbuikvuurpad is een juweel onder de amfibieën. Van boven ziet hij er onopvallend uit met zijn dof grijsbruine kleur (camouflage). Aan de onderkant heeft hij een geel met oranje buik met zwarte vlekken. Hij komt nog maar op enkele plekken voor. Het zijn kieskeurige beesten, die alleen gebruikmaken van tot 40 cm diepe poeltjes zonder waterplanten met kale oevers. Hij is zowel overdag als ’s nachts actief.

De voortplantingsperiode loopt van april tot augustus. De eitjes worden onder water in groepjes op plantendelen afgezet. Na 2 tot 3 dagen kruipen de larven al uit het ei.

 


Levendbarende hagedis

De levendbarende hagedis is de meest voorkomende soort hagedis. Hijj komt voor in het oosten, midden en zuiden van Nederland, en zelfs aan de kust. De levendbarende hagedis is een kleine, bruine hagedis met een wit met zwart vlekjespatroon, beginnend achter de kop en eindigend op de staart.

 

Zijn voorkeur gaat uit naar enigszins vochtige heide,

al dan niet met vennen. Ook verblijft hij graag in structuurrijke weg- en spoorwegbermen, bosranden en ruigten. Voldoende schuilplekken zijn een vereiste. De soort komt op verschillende plaatsen voor in het Heuvelland. In Maastricht zitten ze bijvoorbeeld in de Hoge en Lage Fronten.

 

Zodra de mannetjes in april uit hun winterslaap komen, gaan ze meteen op zoek naar een vrouwtje. Zoals de naam al aangeeft, leggen ze geen eieren maar brengen ze hun jongen volledig ontwikkeld ter wereld. De zwangerschap van het vrouwtje duurt lang, ongeveer 2 tot 4 maanden. De jongen komen pas tussen juli en september tevoorschijn. De levend-barende hagedis eet graag insecten, wormen, mierenlarven en spinnen.

 

Rugstreeppad

De ENCI-groeve bij Maastricht is dé plek voor de rugstreeppad. Ze komen daar zelfs met enige duizenden exemplaren voor. Halverwege april hoor je er de massale, luide paringsroep van de mannetjes. 

Het is een middelgrote pad met geelgroene ogen, duidelijk zichtbare trommelvliezen en een crèmekleurige huid met groene vlekken. Hij is goed te herkennen aan de gele rugstreep en wordt niet groter dan 10 cm. De rugstreeppad vind je ook in duinen, uiterwaarden van grote rivieren, heidevelden, akkers, en zelfs op veengrond. De voortplanting vindt plaats in ondiepe wateren, omdat de rugstreep een slechte zwemmer is. De voortplantingstijd hangt heel erg af van het weer. Daardoor kan de rugstreeppad zelfs in juli opeens weer gaan paren. De ontwikkeling van ei tot pad gaat veel sneller dan bij andere amfibieën. Deze pad is niet direct bedreigd, maar wel kwetsbaar.

Vuursalamander

De vuursalamander is de enige landsalamander in ons land en is een bedreigde diersoort. Verwar hem niet met andere salamanders. Hij is letterlijk een reus

(kan tot 20 cm lang worden) en zijn opmerkelijke,

2 onderbroken gele strepen over zijn gitzwarte lichaam vallen meteen op.

 

Zijn voorkeur gaat uit naar loofbossen op een helling met bronbeekjes. Die bevatten uiterst zuiver water met veel zuurstof. Daarbij moet er ook kalk in de bodem zitten en moet de luchtvochtigheid hoog zijn. De schuilplaatsen liggen in de schaduw en zijn koel en vochtig, precies de eisen die deze soort aan de biotoop stelt. De volwassen vuursalamanders eten voornamelijk wormen en naaktslakken.

 

De verspreiding beperkt zich tot Zuid-Limburg.

Er zijn losse waarnemingen in het zuidoosten van Gelderland en uiterste noordoosten van Overijssel.

Vroedmeesterpad

De vroedmeesterpadden worden in Zuid-Limburg ook wel klungelkes (klokjes) genoemd. Ze laten namelijk vanaf de schemering tot in de nacht een hoge korte fluittoon horen.

 

De vroedmeesterpad is een bruin, grijs tot olijfkleurige pad met een fraaie verticale pupil. Niet het vrouwtje, maar het mannetje draagt de eitjes 3 tot 7 weken met zich mee. Op het punt dat de eitjes uitkomen, begeeft het mannetje zich naar het water. Warm of koud water, de pad vindt alles goed.

 

Deze pad is tevreden met stenige structuren, als open groeven en kerkhoven. Hij vindt het ook fijn in hellingbossen op het zuiden. De vroedmeesterpad is alleen nog maar op 12 plekken in Zuid-Limburg te vinden.

Alpenwatersalamander

De alpenwatersalamander is qua kleur misschien wel de mooiste salamander met zijn ongevlekte sinaasappeloranje buik. In de voortplantingstijd hebben de mannetjes een smalle, zwart-witte rugkam. Ze zijn dan donkerblauw. Ze worden tot

12 cm groot.

 

De alpenwatersalamander komt in het oosten en het zuiden van het land voor. Daarbij gaat zijn voorkeur uit naar beboste gebieden, heggen en struwelen.

 

De alpenwatersalamander is qua voortplantings-wateren niet kieskeurig en wordt aangetroffen in allerlei soorten wateren. Als het maar niet snel stroomt en er geen vis in voorkomt. De balts vindt plaats van april tot eind mei. De eitjes worden

afgezet op waterplanten. Zijn er geen waterplanten, dan kiezen ze voor bladeren op de bodem.

De alpenwatersalamander leeft van kleinere insecten als vliegen en larven van muggen en kevers.

De overwintering vindt plaats van oktober tot maart.

Hazelworm

De hazelworm is in werkelijkheid een pootloze hagedis. Daardoor wordt hij vaak aangezien voor een slang. Hij kan tot 45 cm lang worden, is rolrond en zowel licht- als donkerbruin van kleur, in mooie banen gevat. Hazelwormen hebben een verborgen levenswijze en zijn niet vaak te zien.

 

Hazelwormen leven op uiteenlopende plekken zoals bossen, bosranden, tuinen, kalkgraslanden en spoorwegbermen. Belangrijk is dat er voldoende schuilplaatsen beschikbaar zijn, zoals houtstapels of holle boomstronken.

 

In de lente, na de winterslaap, paren de hazelwormen. De dracht duurt 3 maanden. Net als de levendbarende hagedis komen de jongen van de hazelworm volledig ontwikkeld ter wereld. Per worp zijn er ongeveer acht jongen. De hazelworm is een carnivoor en eet hoofdzakelijk ongewervelden. Hij staat niet op de lijst van bedreigde diersoorten.

Vleermuizen

Vleermuizen zijn gevleugelde zoogdieren. Ze hebben een vlieghuid gespannen tussen hun vingers en poten. Er zijn zo’n 19 verschillende soorten in Nederland.

Je hebt ze zo klein als een dwergvleermuis, die net in een grote luciferdoos past, tot zo groot als een vale vleermuis, die net past in een grote luciferdoos. Vleermuizen zijn echte nachtjagers, die zodra de schemering invalt, op de wieken gaan. Tijdens hun tochten stoten ze signalen uit via de neus en vangen signalen van mogelijke prooien op met hun oren.

Via deze sonar lokaliseren ze feilloos hun prooi.

 

Voordat de vleermuizen in winterslaap gaan, stoten mannetjes een lokroep uit. Hierdoor komen meerdere vrouwtjes op hen af. Het mannetje paart met één van de vrouwtjes, waarna beide zich terug-trekken. In juni verzamelen de vrouwtjes zich in een zogenaamde kraamkamer. Daarna begint de cyclus opnieuw.

 

Das

De das herken je direct aan zijn verlengde kop met brede zwarte band over zijn ogen, een grijs-witte kortharige vacht op zijn rug en zwarte poten. Dit nachtdier komt tegen de schemering uit zijn burcht om op zoek te gaan naar voedsel. Met zijn scherpe neus spoort hij regenwormen, gevallen fruit, eikels, nootjes, en maïs op in het (semi-) open gebied dat hij doorstruint.

 

De das graaft zijn diepe burcht met verschillende kamers in een boshelling. Je herkent een burcht aan een hoop zand voor de ingang en heeft heel wat ingangen.

 

Een dassenfamilie kan bestaan uit zes tot zelfs 20 huisgenoten. Ze paren in de lente en al vanaf februari worden meestal drie jongen geboren. De jongen blijven de eerste 6 tot 8 weken ondergronds, daarna begint de verkenning van de nieuwe wereld.

Hazelmuis

De hazelmuis is een kleine, beige muis met zwarte kraalogen, vrijstaande oren en een opvallend lange staart. Hazelmuizen huizen aan de bosrand waar ze een nest bouwen, dat kunstig wordt geweven uit grashalmen en bladeren.

 

Hazelmuizen paren laat in het jaar en het vrouwtje werpt eind juni, begin juli en eind augustus in 2 keer 3 tot 7 jongen. Hazelmuizen hebben een verborgen levenswijze. Ze zijn nachtdieren, maar ze verblijven constant onder het bladerdek aan de bosrand.

Ze zijn dol op hazelnoten, waarbij de aangevreten noten op de grond op hun aanwezigheid kunnen duiden. Verder eten ze vruchten, bessen en de knoppen van bomen en struiken. Overwinteren doen ze in een nest op de bosbodem. Hazelmuizen zijn beschermd en komen alleen in Zuid-Limburg voor.

Korenwolf

De hamster is een olijke verschijning met zijn ronde oren die boven z’n kop uitsteken, zijn oranjerode en witte vacht, bruine rug en opvallend zwarte buik. De veldhamster of korenwolf is een zoogdier dat vroeger veelvuldig voorkwam in onze provincie. Maar door o.a. schaalvergroting gingen veel akkers voor de hamster verloren. Het knaagdier leeft van plantenmateriaal.

 

De korenwolf een solitair beest. Zowel mannetje als vrouwtje leeft in zijn eigen gegraven burcht. Tijdens de paringstijd in april legt het mannetje een geurspoor rond de burcht van een vrouwtje waar hij mee wil paren. Als ze bereid is, volgt hij haar de burcht in. Zodra de paring heeft plaatsgevonden, verdwijnt het mannetje weer. Na een draagtijd van 18 tot 20 dagen worden 4 tot 16 blinde jongen geboren. Om de winter door te komen, legt de korenwolf een voorraad granen, peulvruchten en andere zaden aan.

Steenmarter

Steenmarters hebben een donkerbruine rug, een witte bef en een prachtige volle bruine staart. Hun kop is lichter van kleur. Vroeger leefden steenmarters op het platteland, maar sinds de jaren ‘90 zijn ze ook doorgedrongen in de steden. Het zijn slimme en behendige dieren, die van elk gat gebruikmaken om ergens binnen te dringen. Denk aan de motorkap van auto’s.

 

Een steenmarter gaat bij zonsondergang erop uit en legt op een dergelijke tocht minstens vijf kilometer af. Hij is van alle markten thuis en eet naast muizen, egels en ratten ook kevers, regenwormen en kikkers. In de herfst doet hij zich tegoed aan bessen.

Van juni tot en met juli loopt de paartijd. Bij het veroveren van een vrouwtje gaat het er vaak luidruchtig aan toe. Dan volgt een lange draagtijd, want pas in april het jaar erna werpt het vrouwtje één tot vier jongen.

Bunzing

De bunzing onderscheidt zich van de steenmarter door zijn witte en bruine masker. Verder heeft hij een lichtbruine rug en lange donkere staart. In tegen-stelling tot andere marterachtige roofdieren, is de bunzing ook overdag te zien, maar merendeels is hij actief in de nacht.

 

De bunzing verblijft in kleinschalige landschappen. Denk aan oeverbegroeiingen, heggen, houtwallen, maar ook aan waterrijke gebieden zoals rietvelden of moerassen.

 

De paartijd loopt van maart tot mei. Na een draagtijd van 6 weken komen 4 tot 7 jongen ter wereld in een hol. Zo’n hol kan van een konijn, das, mol of vos zijn geweest. Als hij op jacht gaat naar voedsel verschalkt hij konijnen, hazen, ratten, vogels, kikkers, maar hij is ook dol op fruit zoals bosbessen. De bunzing is een goede zwemmer en duiker. Hij komt in heel Nederland voor, behalve op de Waddeneilanden.

Deze hele zeldzame muis (met alleen nog enkele waarnemingen in Zuid-Limburg), houdt zich niet alleen op in bossen, maar vind je ook in boomgaarden, parken, hagen en zelfs tuinen. Dan moet er wel voldoende beschutting en bos in de buurt zijn. In tegenstelling tot de vrij stille hazelmuis kan de eikelmuis een heel scenario aan geluiden produceren, zoals brommen, blazen, fluiten, piepen tot zelfs krijsen.

 

Als de eikelmuis een nest maakt, is het slordiger van bouw dan dat van de hazelmuis. Hij maakt ook nesten in een holle boom of nestkast. Eikelmuizen zijn echte alleseters en eten vruchten, zaden, slakken tot zelfs eieren en jonge vogels.

Eikelmuis

De eikelmuis is een opvallende verschijning met zijn grote uitstaande oren, zwarte vlekken rond de ogen (‘Zorro-masker’) en zijn bruinzwarte lange pluimstaart. Zijn kop is over het algemeen grijsbruin, net zoals zijn rug, die op de flanken overgaat in een witte buik.

Bermpje

Veel mensen weten niet dat onze inheemse visfauna rijk is aan modderkruipers. Modderkruipers zijn vissen die op de bodem van een waterloop zwemmen. Het bermpje is de kleinste van de groep en is niet groter dan 12 cm. Ze zijn gelig bruin van kleur met een gevarieerd strepen- en vlekkenpatroon. Aan hun bek hebben ze de typische baarddraden, die ze gebruiken als tasters als ze over de bodem gaan. Hun voorkeur gaat uit naar ondiepe, langzaam stromende beken met een stenige bodem.

Met de baarddraden vinden ze muggenlarven, waterpissebedden en vele andere kleine ongewervelden.

Het bermpje paait van april tot juni. Het vrouwtje zet de eitjes af op zandige, vlakke zones in de oever. In tegenstelling tot vele andere vissoorten kunnen ze redelijk overleven in vervuild water. Het bermpje komt in grote delen van het oosten en zuiden van ons land voor en wordt niet bedreigd.

Water speelt een belangrijke rol in het Limburgse heuvellandschap. Niet alleen omdat het landschap is gevormd rond de beekdalen en de Maas, maar ook omdat in en rond het water van de kleinere beeklopen veel bijzondere plant- en diersoorten voorkomen.

 

Omdat het water bijna het gehele seizoen door de beken stroomt, vind je in Nationaal Landschap Zuid-Limburg de grootste concentratie van watermolens in Nederland.

Door de aanwezigheid van water, vitale grondstoffen en dankzij het reliëf, de vruchtbare bodem en de vlakkere delen is dit gebied van oudsher vrijwel onafgebroken bewoond geweest door de mens: van (pre-) Neander-thalers, de eerste Bandkeramiekboeren, de Kelten, Romeinen, Merovingers en Karolingers via de Middeleeuwen tot aan de multiculturele mijnwerkers van de vorige eeuw.

 

Zuid-Limburg kent daarmee een rijk en gevarieerd cultuurhistorisch erfgoed met archeologische en cultuurhistorische objecten uit alle tijden.

 

Dwars door Nationaal Landschap Zuid-Limburg loopt het tracé van de voormalige Romeinse weg tussen Boulogne sur Mer en Keulen (de “Via Belgica”). In de beekdalen vind je talloze kastelen, oude boerderijen en watermolens en overal op de plateaus een rijk religieus erfgoed (kapellen, veldkruisen). Deze veelal bewaard gebleven landschapselementen zijn kenmerkend voor het Zuid-Limburgse kleinschalige lösslandschap en komen elders in ons land weinig voor.

 

Daarnaast zijn er in de voormalige Mijnstreek (Sittard-Geleen en Parkstad Limburg) in het landschap nog overblijfselen van het recente mijnverleden terug te vinden.